Najaar 1987 dwaalde ik rond in het decor-decor van de voorstelling “Bakeliet”. Petra Laseur vond het destijds raar ruiken in de repetitieruimte. Paul Koek en ik kochten prompt herenparfum. Er was inderdaad veel fysieke inspanning voor nodig om in de kakofonie van dertien kakelende actrices muzikaal enige orde aan te brengen. We renden door 400 jaar muziekgeschiedenis; veel gesamplede samples, emmers vol citaten, clichés, statements, goed bedoelde vergissingen en foutbegrepen antwoorden. Wat ik daar deed? Muziekinspiciënt.

Langzaamaan van gast-aan-tafel tot vaste componist bij vele theaterhuizen, me veilig wanend zonder vaste betrekking (kon dus altijd weg als de grond onder mijn voeten te heet werd). Desondanks betrokken, me onmisbaar wetend schreed ik van stuk naar stuk, ontheemd en onthand, zo zonder musici, zo non-vibrato om me heen, zo eenoog-koning, geklemd tussen twee huizen, tussen muziek en toneel, tussen autisme en hysterie. Zo niet hier en niet daar.

Vooral bij regisseur Gerardjan Rijnders ervaren dat podiumkunst zich niet enkel van rechts naar links laat lezen, dat tempo alles bepalend is, en dat muzikaliteit niets met intervallen van doen heeft, maar onmeetbaar is, dat muzikaliteit geen gave is maar een mentaliteit. Naar een mezzo-forte van Kitty Courbois tijdens een van taligheid stijf staand bodeverhaal kan ik een avond lang naar luisteren, daar kan geen cello-partita tegen op; of het wankele, vol weerstand klinkende Sprechgesang van Pierre Bokma, wanneer hij mij wanhopig aankijkt en ik hem zeg; “zing maar alsóf er een bes staat!”, en er een bes klinkt die alle bessen doen verbleken.

“Titus, geen Shakespeare”, een montage van twee toneelstukken begreep ik niet. Pas tijdens de premiere bleek de kracht van de voorstelling. Ik weet zeker dat deze ervaring mijn denken over opera heeft beïnvloed; tekst kan met een enkel woord de tijd stopzetten. Muziek kan dat niet. Muziek vertelt slechts, tekst zégt iets. Ik was monddood.
“Klaagliederen” op teksten van Jeremia, wás al muziek. Zelf ooit misdienaar geweest, zelfs priester willen worden. Tekst= Taal= Muziek. Makkie.

Of ik voor een nieuwe tekst van W. Schippers een musical-hit wil schrijven. “Het mag geen parodie zijn!” Of ik voor een schijnbaar nietszeggende tekst de bijpassende muziek wil schrijven, of ik triviaal wil schrijven, of ik, als HOOGOPGELEIDE COMPONIST van MODERNE KLASSIEKE MUZIEK, compositorisch niets te melden wil hebben. Ik neem de uitdaging aan en sla definitief een flink gat in alle dubbele bodems.

Ik heb me in dit huis altijd thuis gevoeld, omdat de engte tussen trend en traditie, tussen soort en stijl, tussen sound en muziek, de engte tussen echt en nét echt me minder diep leek - in tegenstelling tot die in de standsgevoelige muziekwereld.
En als componist ben ik me bewust geraakt van de tijdelijkheid van mijn werk. Telkens verdwijnt mijn muziek met de laatste woorden van telkens elke laatste voorstelling, delend in de tragiek van al die theatermensen om me heen dat ik geen tastbaar oeuvre heb nagelaten.

(uit; “Liefhebbers”, 13,5 jaar Toneelgroep Amsterdam)